Opmaak van een ontwerp voor het soortbeschermingsprogramma (SBP) voor akkervogels (lopend)
Opmaak van een ontwerp voor het soortbeschermingsprogramma (SBP) voor akkervogels (lopend)

De opmaak van een soortbeschermingsprogramma akkervogels kwam naar aanleiding van de vaststelling van een sterke achteruitgang voor deze soortgroep. Als paraplusoorten voor deze soortgroep werd de veldleeuwerik, de geelgors en de patrijs genomen, aangevuld met de grauwe gors. De gevraagde rapportage volgde de specificaties ter opmaak van een SBP zoals opgenomen in het soortenbesluit.

Onze aanpak zette naast een volledige invulling van alle aspecten van een SBP in het bijzonder in op het betrekken van de verschillende actoren en op denkoefeningen rond de inpasbaarheid van maatregelen voor akkervogels binnen de landbouwbedrijfsvoering.

Opmaak alternatief inrichtingsplan voor de Berendrechtsse polder (2014-2016)
Opmaak alternatief inrichtingsplan voor de Berendrechtsse polder (2014-2016)

Sinds enige jaren werd de opdrachtgever geconfronteerd met het gegeven dat de Berendrechtse polder aangewezen is als compensatiegebied voor het (toekomstig) verdwijnen van natuurwaarden in vogelrichtlijngebied De Kuifeend en met een inrichtingsplan dat bijna uitsluitend plaats voorzag voor rietmoeras en waterpartijen. Aangezien het PolderInvesteringsfonds (P.I.F.) hier een belangrijke oppervlakte aan landbouwgronden bewerkt, was hun vraag of er in de polder nog enige vorm van landbouwactiviteiten mogelijk zou zijn en of zij zelf een rol konden spelen bij de inrichting en het beheer van het gebied. Mieco-effect koos er voor zich te omringen met topexperten op vlak van landbouw en ecologie. Via brainstormsessies werden ideeën uitgewisseld en met elkaar geconfronteerd. Via deze aanpak werden 10 ‘doorbraken’ geformuleerd. Het inrichtingsplan was op diverse vlakken innovatief en toonde dat een combinatie van moerasnatuur en natuurgerichte landbouw invulling geeft aan de realisatie van de natuurdoelen. Het alternatief inrichtingsplan wordt nu globaal aanvaard als een degelijk alternatief en vormt momenteel onderwerp van verder overleg.

Natuurboeren (2017-2018)
Natuurboeren (2017-2018)

Het ANB beheert ongeveer 9.700 ha grasland en werkt hiervoor samen met een duizendtal landbouwers. De kernvraag van het ANB was: “Op welke wijze kan ANB samenwerkingsverbanden opzetten met landbouwers om haar natuurdoelstellingen te bereiken terwijl die landbouwers uit dit “natuurbeheer” een leefbaar beroepsinkomen kunnen halen?”

Binnen de opdracht werd o.m. een rekentool opgemaakt die toeliet het bedrijfseconomisch effect te berekenen van het beheren van een bepaalde oppervlakte en type natuurgrasland binnen een landbouwbedrijf. Deze tool werd vervolgens toegepast voor 8 cases van landbouwers die natuurgrasland beheren. Uit de lessen die hieruit werden getrokken, werden aanbevelingen gedestilleerd voor de opdrachtgever. O.m. leidde dit tot het uitwerken van een methode hoe het ANB naar de toekomst toe best het beheer van natuurgraslanden toewijst aan kandiderende landbouwers.

Opmaak leidraad natuurverweving in agrarische landschappen (2013-2014)
Opmaak leidraad natuurverweving in agrarische landschappen (2013-2014)

De opmaak van een “beeldenboek natuurverweving” vond zijn directe aanleiding in het AGNAS-proces. Hierbij wordt getracht om, in uitvoering van het RSV, te komen tot een vernieuwde afbakening van natuur-, bos- en landbouwgebieden. De opdrachtgever had t.b.v. deze afbakeningsoefening nood aan (beeld)materiaal om het begrip natuurverweving te verfijnen en te visualiseren zowel voor overheden betrokken in het AGNAS-proces als ten behoeve van de landbouwsector. 

Voor het beschrijven van verwevingslandschappen werd samengewerkt met natuurfotografen en kunstenaars. Inhoudelijk beoogde de leidraad een brug te slaan tussen natuur, landbouw en landschap. Volgende verwevingslandschappen werden onderscheiden: bocagelandschap, het coulissenlandschap, het mozaïeklandschap, het compartimentenlandschap, het rivierenlandschap, het beekdallandschap en het polder- en krekenlandschap. Naast een generieke beschrijving werden telkens de ecologische kenmerken, de functionaliteit van het landschap en de instrumenten die kunnen bijdragen om het in stand te houden of te verstreken, beschreven.